Loading

Vergeten in de Paulastichting Voor kleine Emmy kwam niemand

Nadat hun ongehuwde moeder was vertrokken, brachten 'afstandskinderen' soms jaren door in de Paulastichting, een tehuis voor ongehuwde moeders in Oosterbeek. Daar werden baby’s en peuters letterlijk ziek van ‘moedergemis’ en het gebrek aan persoonlijke aandacht.

door Jenda Terpstra (Omroep Gelderland) en Petra Vissers (Trouw)

Paulastichting Oosterbeek

‘Graag wil ik uw aandacht vragen voor de minderjarige Emmy’, schrijft psycholoog van de Paulastichting Frans Josso in hanenpoten op blauw lijntjespapier. Het is winter 1968 in Oosterbeek, drie dagen na sinterklaas. Buiten is het -1,3 graden. Een gure wind waait over het groene landgoed waarop het tehuis voor ongehuwde moeders staat.

De Paulastichting in Oosterbeek wordt gerund door De Kleine Zusters van de Heilige Joseph. Dertig sobere kamertjes zijn ingericht voor ongehuwde, zwangere meisjes. Ze zijn naar Oosterbeek gestuurd door hun familie, de huisarts of een maatschappelijk werker. Hun zwangerschap is een schande.

Achter het gebouw, gescheiden van de moederafdeling, liggen de kinderpaviljoens. In 1968 is er plek voor 78 baby’s van 0 tot 1 jaar, verdeeld over zes zaaltjes. Er zijn ook twee peutergroepen. Daar woont Emmy. Ze wacht er al bijna drie jaar tot iemand haar komt halen.

Brief van Josso

Psycholoog Josso maakt zich grote zorgen. Emmy’s situatie lijkt uitzichtloos. Hij schrijft een brandbrief aan de Raad voor de Kinderbescherming in ’s-Hertogenbosch, de gemeente waar Emmy’s moeder woont:

‘De huidige ontwikkeling begint duidelijk bedenkelijke aspecten te vertonen. [Emmy] klampt zich aan iedere man die toevallig in het paviljoen is vast met de vraag of ze mee mag.’

Emmy zoekt een vaderfiguur, iemand die voor haar wil zorgen. Met haar onstuimige karaktertje trekt ze te veel aandacht van het verplegend personeel. ‘Ze heeft behoefte aan een normale pedagogische huiselijke levenswijze en aan bevrediging van haar behoefte aan tederheid’. Hij is bang voor ‘hospitalisatie’ en ‘pathologische scheefgroei’ van Emmy, schrijft hij. Het leven in een internaat zonder aandacht, liefde en spel doet haar geen goed.

‘Mijn jeugd is een puinhoop geweest’, zegt de inmiddels 54-jarige Emmy van Schalkwijk die nu in Nijmegen woont. Jarenlang is ze bezig geweest om de puzzel te leggen van haar jonge jaren in Oosterbeek. De brief van psycholoog Josso vond ze in haar dossier bij de oude Paulastichting.

Emmy van Schalkwijk

Niet geschikt voor adoptie

Terwijl andere kinderen door adoptieouders uit de Paulastichting worden gehaald, blijft kleine Emmy achter met de andere kinderen die ‘niet adoptabel’ zijn. Sommigen hebben volgens de rapporten van de psycholoog last van ‘heimwee lijden’, andere baby’s en peuters worden letterlijk ziek door ‘moedergemis’. Meerdere kinderen komen in het ziekenhuis terecht, zo ook de tweejarige Emmy. Haar moeder komt haar maar niet halen.

De biologische moeder van Emmy was in 1965 bevallen in Moederheil in Breda, een ander tehuis voor ongehuwde moeders. Het werd gerund door nonnen van dezelfde congregatie als de Paulastichting. Emmy’s moeder wil haar kind niet afstaan. Maar ze woont nog thuis en de zwangerschap is geheim. Alleen Emmy’s oma weet ervan.

Daarom brengt Emmy’s moeder haar baby naar de Paulastichting, met de belofte dat ze zal betalen voor het verblijf, en dat ze haar meisje later zal komen halen. Ze komt Emmy nog drie keer opzoeken. Maar ze beslist niet over afstand doen.

Baby's in de Paulastichting

'Vergeten kinderen' in diepe rouw

Doordat Emmy's moeder geen afstand doet, kan de kinderbescherming haar niet in een adoptiegezin plaatsen. Jarenlang verkeert kleine Emmy daardoor in een soort 'niemandsland'.

In 1961 schrijft een vereniging van pleegouders al over dit fenomeen: in de tehuizen zitten ‘vergeten kinderen’, schrijven ze, van wie de moeder maar geen keuze maakt. Het is dan al bekend dat baby’s en kinderen in tehuizen emotioneel, motorisch en verbaal achterlopen op ‘gewone’ kinderen. De Britse psychiater John Bowlby ontdekt in de jaren ‘50 al dat ‘hospitalisatie’ - emotionele verschraling bij een langdurig verblijf in een instituut - schadelijk kan zijn voor de gezondheid van een kind. Baby’s trekken zich terug, worden passief en lijken in diepe rouw te verkeren, concludeert hij.

Ook in Nederland is dit bekend. Zoals de Federatie van Instellingen voor Ongehuwde Moederzorg (Fiom) in 1963 aan het ministerie schrijft: ‘onderzoeken hebben aangetoond dat het ontberen van de moederlijke zorg gedurende de eerste levensjaren voor de verdere ontplooiing van het kind uiterst schadelijk is’. Op een conferentie over de ‘ernstig gestoorde ongehuwde moeder en haar kind’ in 1957 zegt Fiom-bestuurslid ter Linden al: ‘Voor kinderen beneden de zes jaar is verpleging in tehuizen ronduit funest te noemen’.

Daarom moeten ‘afstandskinderen’ zo snel mogelijk uit het tehuis voor ongehuwde moeders weg naar een adoptiegezin. Maar als de moeder geen afstand doet, lukt dat niet. Ook als een baby ziekelijk is door ‘moedergemis’, of een ‘kwijnende indruk’ maakt, krijgt hij de stempel ‘niet adoptabel’. Want adoptieouders willen, net als in onze tijd, vaak toch liever een gezond kindje.

Emmy's dossier

Alleen in het ziekenhuis

Emmy is twee jaar als er op haar kaart wat krabbels worden geschreven door het consultatiebureau van de Gelderse Kruisverenigingen: ‘Houdt loop oor, is bij onze arts geweest’. Bijna drie weken later wordt ze opgenomen in het Elisabeth Gasthuis ziekenhuis in Arnhem.

In haar dossier staat in krullende letters in de kantlijn geschreven: ‘19 maart 1968 opgenomen in E.G. te Arnhem, 2 mei 1968 terug uit ziekenhuis’. Waarom Emmy zes weken lang in het ziekenhuis lag, zal ze waarschijnlijk nooit weten. Ze weet uit haar dossier alleen wat haar ziekenhuisopname kostte: 1680 gulden en 11 cent. Wat ze had, en hoe het met haar ging, staat er niet in. ‘Ik vermoed dat ik daar zes weken alleen heb gelegen. Zonder bezoek.’

Emmy is niet de enige die ziek wordt in de Paulastichting. Zo schrijft psycholoog Josso over een andere baby: [Zoon] maakt een kwijnende en trieste indruk. Tengevolge van ernstige nerveuze voedingsstoornissen is hij lichaamlijk achterop geraakt. Het is de zoon van Trudy Scheele, die net als Emmy’s moeder haar kind niet wil afstaan. Haar baby heeft last van ‘het uitgesproken beeld’ van ‘heimweelijden’ en ‘moedergemis’. De psycholoog concludeert dat dit komt door een ‘ernstige mate van institutionalisering’.

Een ander kindje, Gabriël van den Brink, dat in 1968 in de Paulastichting geboren wordt, leest later in zijn dossier dat hij als baby moeite heeft met voeding, veel spuugt en niet goed groeit. Hij is gevoelig, nerveus en heeft ‘vegitatieve problemen’. Hij ontwikkelt bloedarmoede en is motorisch ‘niet zo vlug’.

Verzorgsters in de Paulastichting

Rust, reinheid, regelmaat

Toch ligt dit niet aan de lichamelijke verzorging, zeggen kinderverzorgsters, zusters en andere betrokkenen met wie Omroep Gelderland en Trouw spraken. Het probleem was gebrek aan liefde en aandacht, zegt psychologe Harlinde van Osselaer. Zij onderzocht in de jaren ’70 hoe kinderen ontwikkelden in Moederheil in Breda.

‘De verzorgsters leerden dat baby’s voldoende voeding en een schone luier nodig hadden.’ Maar voor liefde en aandacht voor alle baby’s was geen tijd. ‘Het was rust, reinheid, regelmaat. In het instituut was de overtuiging dat kinderen niet mochten hechten aan personeel. Dat was voorbehouden aan de pleegouders.’

Er zijn te veel baby’s om ze allemaal op schoot een flesje te geven. Daarom rollen de veelal jonge kinderverzorgsters moltons op tegen de zijkant van ieder wiegje. Daartegen wordt het flesje op de kop gezet, zodat de baby kan drinken. Uit een enquête van de Universiteit van Amsterdam uit 1971 blijkt dat groepsleidsters in die tijd vaak overbezet en slecht opgeleid zijn, waardoor ze niet in staat zijn de behoeften van kinderen te zien en hen te stimuleren.

Intense eenzaamheid

Ook Emmy begint te lijden aan typische ‘internaatverschijnselen’. Emmy’s moeder heeft de voogdij nog, waardoor Emmy niet kan worden geadopteerd. Na drieënhalf jaar wordt het de psycholoog te gortig. Emmy krijgt via een non een adresje van een familie in Oosterbeek waar ze af en toe heen kan. Josso schrijft ondertussen een brandbrief aan de Raad voor de Kinderbescherming.

De Raad voor de Kinderbescherming is het met Josso eens. De rechter wordt ingeschakeld, en Emmy’s moeder wordt uit de voogdij gezet. Emmy wordt bij het gezin in Oosterbeek geplaatst. Pas als Emmy acht jaar is, adopteert het gezin haar officieel. Emmy wordt van haar moeders persoonskaart gewist. Ze is alleen in een nieuw gezin.

Een gevoel van intense eenzaamheid heeft ze overgehouden aan de adoptie. Haar nieuwe ouders zijn ‘nuchtere Hollanders’, terwijl zij druk is en creatief. ‘Ik snakte naar kunst en schoonheid.’ Emmy had in haar jeugd het gevoel dat ze desondanks dankbaar moest zijn.

Haar geschiedenis heeft ze bij elkaar geschraapt uit dossiers die nog te vinden waren. ‘Ik was nergens thuis. Niemand wist precies wie ik was.’ Maar Emmy is geen kind meer, en ze is veel meer dan haar adoptie. ‘Ik bewandel nu het pad van vergeving. Het leven heeft mij naast verdriet ook heel veel moois gebracht.’

Over dit onderzoek

Omroep Gelderland deed in samenwerking met Trouw onderzoek naar afstand en adoptie tussen 1956 en 1984. Waarom deden we dit onderzoek? En hoe? Dat leest u hier. Disclaimer: Wij hebben onze uiterste best gedaan om de makers en rechthebbende van historisch foto- en ander beeldmateriaal dat in deze productie is gebruikt te achterhalen. Als u denkt dat uw materiaal zonder voorafgaande toestemming is gebruikt, laat het ons weten: research@gld.nl.