Toespraak Ben van Melick ter gelegenheid van de uitreiking van de Leo Herberghs Poëzieprijs 2022
Ik lees een dichter:
de zon kust zijn ene
wang, de aarde zijn andere
in een gouden
doodskist legt hem
de winter. zo
vergaat het de liefde
Helder, maar wat moeten we ermee, met die gouden kist, in deze hardleerse tijd waar een verschrikkelijke oorlog woedt, op leven en dood gestreden wordt om onze vrijheid, waar geschonden lichamen in kuilen vergaan, in treinwagons ontbinden.
Blad, is de titel van dit gedicht uit 1972 van Leo Herberghs: blad, van een boom of struik.
Een afgevallen blad beschenen door de gouden herfstzon, dat is wat de dichter ons laat zien.
Of staat blad misschien ook voor bladzijde?
Dat gouden licht, die gouden doodskist is dat mogelijk ook de eindbestemming van de poëzie: prachtig maar levenloos; het lot van het gedicht waarin het leven gestold is in taal, de ziel klem zit in de vorm, even ondoordringbaar als erts, steen?
In 1961 hield beeldend kunstenaar Marcel Duchamp een lezing waarin hij voorspelde dat de kunstenaars ondergronds zouden gaan. Ze moesten wel, vond hij, want de kunst was gedegenereerd tot een gigantische artistieke productie bepaald door vraag en aanbod. Gevolg: verwatering van artistieke waarden. De serieuze kunstenaar zou gaan revolteren, zei hij, en zich onttrekken aan de openbaarheid door zich te verstoppen. Alleen ondergronds zou hij zijn artistieke vrijheid kunnen waarmaken. (Janneke Wesseling NRC, 16 september 2022)
Voor mij is de dichter Leo H. zo’n kunstenaar die zich onttrekt aan de openbaarheid, die zich verstopt om vrij te zijn, om zijn eigenheid en autonomie te bewaren. Om onverstoorbaar zijn gedichten los van vraag en aanbod, onafhankelijk van trends en recensenten te schrijven.
Zijn poëzie is bijna onzichtbaar, ze wil niet klinken, neigt naar stilte, ze geeft zich over aan de lezer. Dat is bijzonder, zeker in mensonterende tijden waarin de dood het van de daken schreeuwt.
heel stil
heel stil wordt
voorgoed iets
gezegd
daarna door
wind na-
gezegd
daarna weggelegd
Het diepe besef van eindigheid ligt aan de oppervlakte van dit ultieme gedicht. Niet in een gouden kist, maar simpelweg in drie woorden: gezegd, nagezegd, weggelegd.
Geen dichterlijk vertoon: er is al vertoon genoeg in deze wereld.
Ootmoed, er valt me geen beter woord in, deze dichter is nederig, zijn gedichten verdragen geen versiering of ciselering; hij laat de eenvoudigste woorden voor zichzelf spreken.
Lieve Cis,
Ik zou graag een gedicht
schrijven voor jou
Maar alles wat ik heb
geschreven is voor jou
geschreven
Ook dit
Hopelozer is niet mogelijk, liefdevoller ook niet.
Deze regels komen niet uit een bundel van Leo Herberghs.
Ik vond ze in primitieve versvorm gekrabbeld op een blaadje papier dat rondslingerde in het vermaledijde verzorgingshuis in Heerlen waar de dichter de laatste maanden van zijn leven huisde. Het is waarschijnlijk een eerste inval voor wat uiteindelijk een te publiceren gedicht had moeten worden.
Zo ontstonden veel van zijn gedichten: regels vielen hem in die meteen in het gelid stonden van maat en strofen. Hier en daar werd nog wel een woord veranderd, gestreept en toegevoegd en hij kon er weken, maanden, naar blijven kijken, er minimaal aan prutsen, maar de poëtische zeggingskracht, de kern, lag al verankerd in de eerste aantekening.
Voor de eenvoudige poëtische notitie ‘Lieve Cis’ - hij had geen keus door Alzheimer gedwongen – bleef hem niets anders over dan de meest elementaire vorm: de afgebroken regel, zonder vormdwang.
Schijnbaar willekeurig afgebroken regels en toch een ritmisch patroon voor wie ze leest, voor wie er poëzie van wil maken. Een rudimentaire vorm die in zijn late bundels karakteristiek is voor zijn werk.
Werk dat in de kern de ontkenning is van vorm, van genre, van mooimakerij, esthetische spitsvondigheid. Hij heeft er de laatste decennia van zijn dichtersleven mee gespeeld, met regels, hij heeft ze ondergraven.
Ik begrijp zijn gedichten dan ook niet alleen als spel maar ook als een protest, verzet tegen de vorm die vastlegt wat vloeiend is. Ze willen niet vastgelegd zijn, niet die gouden doodskist in, ze verzetten zich tegen de normen van de tijd, van het genre dat besmet is, vervuild is, waarvan het gezicht verbrand is, vul ik besmuikt aan.
Hoewel, ik denk dat de dichter het ermee eens zou zijn.
Herberghs begon ooit, begin jaren vijftig, heel anders.
In sonnetvorm, hij bedreef toen dichtkunst.
Steen
Hij heeft een ziel, die nimmermeer wil zingen
Maar enkel ’t harde van zichzelve kent.
Hij is de meest geslotene van alle dingen
En alle tederheden lang ontwend.
Geen licht kan door zijn huid naar binnen dringen
geen stormwind is er, die zijn binnenst schendt.
Hij balt zijn vuist en wil zich verder wringen
Diep in de aarde, die zijn woede temt.
Soms kruipt een kever aan op dunne poten
En rust op hem, de schilden toegesloten,
En houdt de zon gevangen aan zijn huid.
Soms stort zich regen zingend op hem uit
Zodat hij, tot iets liefelijks besloten,
Wel wil gaan glanzen tussen ’t geurig kruid.
‘Steen’ stamt uit 1953.
Klassieke sonnetvorm, beeldspraak van de moderne tijd.
Je leest iets wat niet kan, en toch zie je het voor je. Je kunt de beelden niet uittekenen, ook niet in je hoofd - hoe teken je een steen die een vuist balt - maar ze bestaan, die beelden, in woorden.
Hij creëert een steen die een ziel heeft.
Die steen staat voor de dichter zelf.
In zichzelf (vast)geklonken, gesloten, tederheid ontwend maar verwonderd om de wereld en met een glinstering van lieflijkheid. Soms door de inwerking van de natuur komt hij tot leven, wil hij glanzen. Misschien wel als maanmuzikant!
Die steen staat voor zijn gedicht, gestold organisme.
Deel te zijn van de natuur, in haar cyclisch verloop opgenomen te zijn, dat is een centraal idee in deze poëzie. Die voortdurende metamorfose in taal waar maken, dat is de drang in deze dichter. Leven in de dood vinden.
Vaak tegen beter weten in:
in hout is het verborgen
in uiers, in de dansende koe
in ijzeren paardehoeven
in koude winterjassen
die het hout heeft gekapt
in steen, in voetsporen
in hamers die de wind
met een spijker vastsloegen
Als in een film trekken zijn verbeeldingen aan je ogen voorbij. Ze hechten niet, nog voor ze echt zichtbaar worden, vervloeien ze met andere beelden. Stilstand en beweging in één. Altijd nieuw.
Onmogelijk en toch reëel, vreemd en toch vanzelfsprekend.
De wind met een spijker vastslaan. Hoe moet dat? Of beter, moet je daar wel om ’t te zien, te begrijpen, een voorstelling bij hebben?
Je hebt geen andere woorden nodig om deze dichter te verstaan. Wie gewoon leest wat er staat, raakt er nooit in uitgelezen.
Dat geldt in optima forma voor de gedichten waarin de echtgenote en muze van de dichter, Cis, figureert, zij die liefdevol de ietwat levensvreemde schrijver het dichtersleven mogelijk maakte.
Deze gedichten liggen verscholen in zijn oeuvre, ze glanzen tussen ‘t geurig kruid, deze liefdesgedichten, waarin alles beweegt.
kom niet dichterbij: spreek
tot mij vanuit een andere kamer
dat ik je niet zien kan, niet
je lippen kan zien bewegen.
spreek vanuit heilige grond. daar
tasten geen bladeren je mond aan,
kun je het gesuis van windvlagen
in je nabijheid horen.
blijf verwijderd van mij dat
ik als een blinde je zien kan
dat ik je leven verzinnen kan
en jij het mijne
De paradox die liefde heet, verbeeld.
zo zacht voor de korenaar
is de wind, zo wit gaat
het licht over de wolk
zo stil ligt sneeuw op het gras
zo zacht is de lucht voor het licht
zo licht is het koren in brood
zo zacht zijn je lippen voor rood
De beelden zijn concreet, aards:
Lachend, met het rimpelloze
water van haar ogen loopt zij
langs het koren, hoort hoe
haar mond kirt
ook in het gras is zij
zacht genoeg om te
liggen vol oogst, groen
te worden aan hoofd
en elleboog, zwart te worden
van wimper
speels:
te voet gaat het water
naar zee, te voet
gaat het gras naar
de koe
te voet gaat de wolk
naar de kim
te voet gaat mijn ziel
jou tegemoet
Ze zijn bezwerend:
niet als ze getooid is voor
een zomerdag is zij het
mooist, maar als het
huis leeg is van haar, als
de avond valt, de nacht komt
een andere nacht zonder
tweezaamheid, zonder
de allerenigste
alleen
maar ook onverbloemd lief:
leg voorzichtig je hoofd
tussen mijn handen, veeg je ogen
leeg van tranen, laten we
nu vergaan, zittend naast
elkaar in het licht van
oktober, denkend aan wat er
altijd tussen ons was en wat
we waren voor
elkaar
Wat een pracht aan woorden, aan regels, zo helder en veelzeggend!
Zo direct zeggen, zo het wezen van taal en liefde blootleggen, pas tegen het eind van zijn dichtersleven was de dichter er echt toe in staat, om woord en idee te laten samenvallen.
Die aantekening op dat kladblaadje in dat verzorgingshuis, vlak voor zijn dood, dat was gewoon een gedicht! Geen gedicht voor een gouden doodskist. En toch een ondergronds gedicht: viering van de liefde met de dood op de hielen.
1 oktober 2022 Ben van Melick
Credits:
foto Dichter in Beeld