Het is augustus 1967 en in Oosterbeek, in het groen aan de Nico Bovenweg, wordt het nieuwe gebouw van de Paulastichting feestelijk geopend door psychiater Gribling. Zijn toespraak ademt een nieuw tijdperk. Vroeger, zegt hij, gold als uitgangspunt: moeder en kind horen bij elkaar. Maar Gribling zegt: ‘Het zal u bekend zijn hoe met name in de laatste tien jaar dit uitgangspunt wel volstrekt verlaten is’.
Gribling staat op de plek waar in de jaren daarna honderden ongehuwde moeders bevallen en even zoveel baby’s hun eerste maanden of zelfs jaren doorbrengen. Vijftig jaar na dato is het landgoed in Oosterbeek nog even groen. Het gebouw staat er nog. Maar de praktijk waarbij ongehuwde moeders afstand deden of zelfs moesten doen van hun kind, is omstreden.
Noodopvang
Elf jaar voordat Gribling zijn toespraak houdt, wordt de adoptiewet aangenomen. Die wet biedt een uitkomst voor wanhopige ongehuwde meisjes die niet voor hun kind kunnen zorgen. Vóór die wet boden meisjes hun kind soms aan in een krantenadvertentie, legden het te vondeling of vroegen familieleden om hulp. De hoge nood was ook de Kleine Zusters van de Heilige Joseph niet ontgaan. Daarom openden de nonnen in 1931 de Paulastichting in Utrecht: een doorgangshuis voor ongehuwde moeders, gevestigd in twee oude herenhuizen.
In dat tehuis, en in andere tehuizen in ons land, gold dan nog de gouden regel: moeder en kind horen bij elkaar. Het doel van de nonnen is om de meisjes te steunen en te begeleiden naar een beter leven, mét hun kind. Zo’n vier procent van de meisjes deed afstand, de meesten behouden het kind.
Een écht gezin
Maar als de adoptiewet in 1956 wordt aangenomen verandert dat. Waar de nonnen van de Paulastichting, en anderen in het land, nog zo gehamerd hebben op het samenhouden van moeder en kind, verandert de visie onder invloed van vooraanstaande psychiaters, pedagogen en artsen.
Zoals zenuwarts Kees Trimbos en psychiater Han Heijmans, fervent voorstanders van het idee dat afstand doen het beste is voor kinderen van ongehuwde moeders. Volgens Trimbos moet niet worden gekeken naar het belang van de moeder, maar dat van het kind. Die zijn volgens hem vooral gebaat bij een ‘echt gezin’. Eén en één is twee, beredeneert hij, want er zijn echtparen ‘die geen kinderen hebben en zeer goed de zorg voor een kind op zich kunnen nemen’. Hij bepleit dan ook dat de beslissing voor afstand zo vroeg mogelijk moet worden genomen, het liefst voor de bevalling.
Ernstige morele misdaad
In een vergadering van de FIOM (Federatie van Instellingen voor Ongehuwde Moederzorg) in 1961 blijkt dat ook anderen overtuigd raken dat een ongehuwde vrouw niet voor een kind zou moeten zorgen. Een professor uit Groningen legt uit dat ongehuwde moeders ‘een ernstige morele misdaad’ hebben begaan, waarmee ze ‘geen moreel recht’ meer hebben op hun kind.
Een kinderrechter uit Zutphen blikt vast praktisch vooruit. Meerderjarige vrouwen hebben rechten. Ze kunnen alleen de voogdij verliezen bij slecht levensgedrag, misbruik, verwaarlozing of krankzinnigheid. Dus hoe, vraagt hij zich hardop af, kunnen we moeder en kind dan toch scheiden? Er moet een nieuwe wetsbepaling komen, vindt hij. In de jaren daarna worden meerderjarige ongehuwde moeders inderdaad uit de voogdij gezet omdat zij ‘ongeschikt of onmachtig’ zijn ‘de plicht tot verzorging of opvoeding te vervullen’.
Klooster, kapel en paviljoens
De omgeslagen moraal druppelt langzaam door van beleidsmakers naar mensen op de werkvloer in de moederzorg. Het bereikt ook de Paulastichting. In 1961 behoudt ruim 60 procent van de moeders hun kind nog. Maar in 1964 komt dit net boven de helft uit, terwijl het aantal pleegouders stijgt. Vóór de adoptiewet konden moeders contact houden met hun kind in een pleeggezin. Maar nu worden na adoptie alle banden tussen moeder en kind verbroken.
Rond dezelfde tijd dat de cultuur omslaat in de moederzorg, hebben de nonnen in Utrecht een probleem met de huisvesting. De oude herenhuizen voldoen niet meer. Moeder overste dreigt haar zusters terug te trekken als ze niet snel een nieuw pand krijgen.
Het oog van de congregatie valt op landgoed Hillock in Oosterbeek. Gemeente Renkum ontvangt in april 1961 hun plannen om daar een tehuis voor 25 ongehuwde moeders te bouwen, inclusief klooster, kapel, en paviljoens voor 60 baby’s en kleuters. Er is even wat angst bij de gemeente dat de nonnen veel meer vrouwen en kinderen op willen vangen. Maar uiteindelijk gaan ze toch akkoord.
Voordat de zusters het pand kopen, doet de Katholieke Economische Hogeschool in hun opdracht een ‘marktonderzoek’, om te kijken of er de komende jaren wel voldoende ongehuwde moeders zijn voor zo’n groot tehuis. Die zijn er, is de verwachting.
Bedrijvig
Terwijl psychiaters en deskundigen debatteren over hoe dat geregeld moet worden met afstand doen, begint de congregatie met bouwen. Op het landgoed verrijzen een groot tehuis voor ongehuwde moeders en meerdere paviljoens waar de baby's komen te wonen totdat ze met moeder meegaan, of worden geadopteerd.
Niet lang daarna is de Paulastichting in Oosterbeek een bedrijvige organisatie, met plek voor 30 moeders en 100 baby’s en kleuters tot vier jaar. In de eerste vier jaar worden er gemiddeld 150 baby’s per jaar geboren. Ongeveer de helft wordt afgestaan.
De liefdadigheidsinstelling van de nonnen groeit hard. Waren ze in Utrecht nog met zo'n twintig nonnen, in 1969 werken er al 88 medewerkers: groepsleidsters, kinderverzorgsters, maatschappelijk werkers en op oproepbasis een gynaecoloog en verloskundige. De nonnen staan nog aan het roer, maar zijn veruit in de minderheid.
De ongehuwde moeders komen uit het hele land, maar vooral uit Gelderland. Ze komen zes weken voor de bevalling, vaak op dringend advies van familie om schande te voorkomen, of op advies van de huisarts of een maatschappelijk werker uit hun eigen stad of dorp. Tien dagen na de bevalling verlaten ze het pand.
In de weken vóór de bevalling leggen deskundigen het meisje voor of ze het kind wil houden, of het beter vindt om afstand te doen, precies zoals zenuwarts Trimbos eerder voorschreef. Heeft moeder eenmaal besloten tot afstand, dan krijgt zij het kind bij voorkeur na de bevalling niet meer te zien.
Hoog bezoek
Regelmatig komen er ministers, of andere hooggeplaatsten met delegaties op bezoek, herinnert zuster Chantal, die destijds directrice was. ‘Om te laten zien hoe wij de ongehuwde moederzorg geregeld hadden in Nederland.’ De Paulastichting is dan één van de grootste en vooral de nieuwste van het land.
Het tehuis draait subsidie van het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappij en op bijdragen van het aartsbisdom. Maar veruit de meeste inkomsten komen uit de verpleegprijs van zo’n 18,00 gulden per dag. Voor het jaar 1969 kan de Paulastichting meer dan 50.000 verpleegdagen declareren bij gemeenten of particulieren, die de kosten van de zorg zelf betalen.
Vier adopties per dag
Ook elders in het land doen veel moeders afstand. Op het hoogtepunt, in 1974, spreken rechters 1259 adopties uit. Dat zijn er bijna vier per dag. Vijftig jaar na dato lopen de schattingen van het aantal afstandsmoeders tussen 1956 en 1984 uiteen van 13.000 tot 20.000. Volgens het CBS worden ruim 15.000 Nederlandse kinderen geadopteerd.
Zo lijkt de adoptiewet een nieuwe dynamiek tot stand te hebben gebracht. De Centrale Adoptieraad schrijft bij opheffing in 1974: ‘Ongetwijfeld is door het feit, dat adoptie in ons rechtsstelsel is ingevoerd, de neiging versterkt tot scheiding van moeder en kind’.
Verstoorde markt
Maar niet lang nadat dit nieuwe systeem goed loopt, komt er weer een nieuwe wind. Terwijl in de bossen van Oosterbeek ongehuwde meisjes hun kind afstaan, lopen studentes op de Sorbonnes Universiteit in Parijs eind jaren '60 ongeneerd met hun kind op de arm. Het is de tijd van de hippies en feministische schrijfster Simone de Beauvoir.
De roep om abortus wordt harder, net als de vraag wat de rol van de ‘verwekker’, de vader, eigenlijk is. Niet lang daarna volgen de dolle mina’s, de bazen in eigen buik, de bewust ongehuwde moeders en de anticonceptie. De feministische golf zwiept over Nederland. Het aantal ongehuwde moeders dat hun kind afstaat daalt daarna drastisch.
In 1970 schrijft de Katholieke Hogeschool in Tilburg in reactie daarop dat ‘de adoptiemarkt’ niet meer loopt. “Het evenwicht tussen vraag en aanbod is verstoord”, aldus een publicatie over ongehuwde moeders die hun kind gehouden hebben. Met die verstoring van de adoptiemarkt in het binnenland, begint het aantal buitenlands geadopteerde kinderen langzaam toe te nemen.
Frisse wind
De maatschappelijke verandering dringt ook door in de Oosterbeekse Paulastichting. Op 1 juli 1970 wordt een nieuwe directeur aangenomen, die voor een frisse wind moet zorgen. Bij zijn aantreden zegt hij tegen de medewerkers: ‘Wat ik van u verwacht? ‘Heel eenvoudig, MENS ZIJN, ervan doordrongen zijn dat we in 1970 leven, dat de aanstaande ongehuwde moeder haar eigen recht van leven heeft, net als u en iedereen.’
Later zegt hij tegen gemeente Renkum: ‘Omdat ongehuwde moeder tot in de zestiger jaren gezien werden als gevallen of gestoorde meisjes die tijdelijk uit de samenleving moesten worden verwijderd, hebben vrijwel alle tehuizen een sterk geïsoleerde positie gekregen. Ons tehuis is lange tijd een voor uw gemeente gesloten instituut geweest.’ Dat is met zijn komst afgelopen.